Ik heb een vooroordeel over het soort mensen dat op schrijfretraites gaat. Ik schrijf deze column, die niet langer dan 350 woorden mag zijn, terwijl ik over het Comomeer uitkijk. Want ik ben op schrijfretraite…
Schrijfretraites heb ik altijd iets aanstellerigs gevonden. In die zin ben ik een vrij doorgewinterde calvinist. Wat een onzin dat je een week lang met wildvreemden naar een mooie plek gaat om een beetje aan een boek te werken. Kan dat niet gewoon tussen de bedrijven door zoals normale, hardwerkende mensen (lees: ik) dat doen?
Mensen die op zo’n retraite gaan hebben te veel tijd en geld, zien niet in dat inspiratie niet ligt in een mooi uitzicht en een dito omgeving, maar dat inspiratie een werkwoord is en dat je alleen meters maakt door stug door te typen. Of door research te doen. Kan ik iedereen van harte aanraden. Een trip naar het stadsarchief, een gesprek met een expert, kost minder, levert net zoveel op.
Mijn grootste vooroordeel is misschien wel dat een retraite – als je niet oplet – verwordt tot een soort therapiegroep voor mensen met een midlife crisis.
En zijn het niet ook altijd vrouwen van een zekere leeftijd (lees ik) die positieve bevestiging en flink wat bekrachtiging nodig hebben om te horen dat wat ze te zeggen of te schrijven hebben goed genoeg is? Dat ze op een goed spoor zitten, dat hun verhaal het waard is om opgeschreven te worden? In mijn groepje trouwens geen enkele man. Verbaast me niets. Ook over mannen die niet op schrijfretraite gaan heb ik vooroordelen. Die zijn bij voorbaat tevreden met zichzelf en hun ideeën. Die hebben geen mooie omgeving, inspiratie, gezelligheid en een goed gesprek nodig om de moed te verzamelen om eindelijk aan dat boek dat in je zit te beginnen.
Dat is wel wat je (lees ik) moet doen. Moed verzamelen, je vooroordelen overboord gooien, stoppen met zelfsabotage. Maar nu zit ik hier toch maar met uitzicht over het Comomeer met een groep leuke vrouwen, met goed gesprekken en gezelligheid.
Zit ik al op 350 woorden?